Het moet ergens in de jaren negentig zijn geweest, toen café Soif te Vlissingen nog dagelijks wemelde van de artiesten, journalisten, politici en verdwaalde kleine zelfstandigen. Ik opende er een tentoonstelling met kunst en muziek van de gebroeders Quite. Over de wederwaardigheden van één van hen, beschilderaar van de legendarische popgroep Dragonfly, is deze dagen een behartenswaardig boek verschenen. Hieronder een eerbewijs aan wijlen zijn broer Eddy.


Van Ed Quite heb ik verscheidene quotes in mijn hoofd bewaard. Zoals zijn typering van de vergeten Zwitserse schrijfster Isabelle Eberhardt, die omstreeks de vorige eeuwwisseling als man verkleed in Noord-Afrika leefde. Hij koesterde een mateloze bewondering voor haar.
Ed kocht haar boeken bij De Slechte. ,,En die zit je dan in Vlissingen te lezen”, zei hij wel eens, ,,En dan hoor je haar stem, een stem die woestijnen overschreeuwt en honderd jaar later in Vlissingen nog tot aan de palen reikt van het Nollenhoofd, een stem die tijd en ruimte overbrugt. Onbegrijpelijk dat zo’n grote vrouw uiteindelijk vergeten wordt, onbegrijpelijk dat dit soort figuren zomaar uit de literatuur verdwijnen.” Quite kon dergelijk zinnen uitspreken met een aan laconie grenzende verontwaardiging.
Wanneer de directeur van de Vlissingse Biliotheek destijds was ingegaan op een voorstel dat ik namens Ed had ingediend, dan had een door Quite geschilderde portret van Isabelle Eberhardt nu de brede deurpost van boekhandel ’t Spui gesierd. Want waar anders was zulks meer op z’n plek geweest dan in een havenstad als Vlissingen waar de poëtische adem van vele werelddelen de branding raakt.
Bijgaand een foto van Isabelle Eberhardt, en enkele van de foto’s die ik maakte van Eddy Quite, optredend als basgitarist tijdens de tentoonstelling in café Soif. Na vele jaren te hebben gefungeerd als levendige alcoholische hotspot van spraakmakend sociaal-cultureel Vlissingen is het uiteindelijk treurig afgelopen met dat etablissement, even treurig als met het leven van de schrijfster Isabelle Eberhardt.
Ik herinner me vooral ook de tijd – het moet rond de eeuwwisseling zijn geweest – dat Soif nog slechts werd bezocht door vier vaste klanten. In absentie van de kroegbaas runde Ed Quite er dan vaak de bar, met alleen nog de beeldend kunstenaars Kees Roovers, Bob Pingen en de schrijver dezes als vaste klant.
Toen in die tragische omstandigheden plotseling ook nog de stroom uitviel – met de koelkast vol bederfelijke waar – zaten we in zak en as. Totdat een loods binnentrad, ons joviaal begroette, en na enig gerommel in de meterkast geroutineerd aan de paniek een einde maakte.
Uit de boxen klonk in die dagen muziek van The Velvet Underground en Mazzy Star, afkomstig uit mijn toen pas geopende cd-winkel. Althans wanneer Chris Sibbalt niet langs kwam om zijn nieuwste muzikale werkstuk in de gleuf van de cd-speler te schuiven, ons mededelend dat hij nu toch echt iets had vervaardigd dat de hitlijsten zou kunnen gaan bestormen.


