Vlissingen, wat blijft is de poëzie en de wind die ’t altijd weer schoon waait…

Onafgebroken voeren schepen handelswaar uit verre landen aan. Dat is al eeuwen zo. Maar niets van al die buitenissigheden blijft. Wat in Vlissingen aan land komt, wordt meteen weer doorgevoerd. Zo gaat dat in een overslaggebied. Al wat stoffelijk is, dat komt en gaat. Het is de Vlissingers in de ziel gebakken. Ze koesteren het tastbare niet, hoe waardevol dat ook mag wezen. Of zoals een wethouder dat ooit eens zei: ‘Wat niet meer bruikbaar is, dat donderen we weg’.

Wat blijft is de poëzie: de geest van al wat kwam en wat geweest is, ongrijpbaar overlevend in het zwerk dat tot de einder reikt. Een geest die vrij over de zeeën waait, havensteden met z’n adem raakt, en ze onmerkbaar met elkaar verbindt. Vlissingers weten dat niet. Ze voelen het. En blijven daar nuchter onder. Waar het licht der eeuwigheid regeert, leeft men bij de orde van de dag, gevoed door de weidse blik, en de wind die ’t altijd weer schoon waait.”

Tot dat soort bespiegelingen kwam ik alweer wat jaren terug, gevoed door kunstenaars als Bob Pingen en Ed Quite, de eerste in Vlissingen neergestreken vanuit den vreemde, de laatste daar geworteld in de Palingstraat. Had mijn invloed verder gereikt dan het geval is, dan zou hij de geschiedenis in zijn gegaan als De Man die de Maan liet vallen. Maar dat is een ander verhaal. Wat hier ter zake doet is de vraag waarom ik me als Brabander met Friese roots destijds in Vlissingen zo thuis mocht voelen, als Vlissinger, als journalist-winkelier en als onafhankelijk lid van de gemeentelijke adviescommissie beeldende kunst.

De industrieel-maritieme verschijningsvorm van Vlissingen is weids. Maar – zo bedacht ik me – de ziel van dat alles schuilt in het kleine: de menselijke maat: levend in de intimiteit van een dorpse, maar veelkleurige binnenstad waarin zowel wordt gewoond als gewerkt en gerecreëerd, eerder ruig dan gladjes en gelikt. Vlissingen, schreef ik ooit al eens, is een stad met een veelheid aan contrasten.

,,Een plek waar zowel land en zee, als hemel en aarde elkaar raken; niet alleen weids en intiem tegelijk, ook werelds en dorps, technisch en organisch. Bezoekers uit den vreemde spreken van een ‘typisch Vlissingse harmonie van oud en nieuw, mooi en lelijk’. In Vlissingen vloekt dat niet met elkaar, signaleerde journalist Jan Jansen ooit in dagblad De Stem. Schrijvers die waarderen wat Vlissingen eigen is, waarschuwen ook: tegen te veel nieuw, en te veel lelijk dat alles wat oud en mooi is verdringt, en al verdrongen heeft.”

Veel van die eigenheid werd destijds belichaamd door het al bijna verlaten bedrijfsterrein van de Schelde-werf, door de aard van de gebouwen die er stonden, de tekenen van industriële, maar toch vooral ook ambachtelijke bedrijvigheid, en de zichtlijnen richting openheid, als natuurlijke verbindingen met de lucht en het water.

Ik schreef daarover in media als het Zeeuws Tijdschrift, als het magazine De Energie van de Stad en in adviesnota’s die waren gericht aan het gemeentebestuur. Daarin bepleitte ik de realisering van een culturele vrijplaats op dat Scheldeterrein. ,,Gebruik makend van bestaande bebouwing kan met geringe middelen een hal annex plein (half overdekt/half open) worden gerealiseerd. We pleiten ervoor deze plek te exploiteren als stadsforum/culturele vrijplaats.”

Samen met anderen probeerde ik daartoe aanzetten te geven, onder meer door inbreng in de nota ‘Het Wezen van de Toeristische Stad/Weg naar Zee’, in maart 2000 uitgebracht door één van de werkgroepen die adviseerde over de ‘stadskoers’. Binnen de Raad voor Cultuur, afdeling beeldendende kunst, werd het idee verder uitgewerkt, en gepubliceerd in de nota: ‘Vlissingen Vlechtwerk van Stad en Werf’ (2001).

Waarom zo’n culturele vrijplaats? Ik verwoordde dat destijds eens als volgt:

,,In Vlissingen wonen nuchtere, en bovenal eigenzinnige mensen. Daar komen tal van kleine, uiteenlopende initiatieven uit voort. Er is zo veel eigenwijsheid dat het maar zelden lukt tot saamhorigheid te komen. Veel initiatieven worden daardoor in de kiem gesmoord. Als in Vlissingen saamhorigheid heerst, dan manifesteert die zich niet zozeer in massaliteit als wel in diversiteit: kleinschalige oorspronkelijkheid over de hele stad verspreid. De culturele vrijplaats kan daarvan de motor zijn. Zij is beschikbaar voor een veelheid van activiteiten, waarbij zowel verbindingen in de kunsten mogelijk zijn (tussen muziek, literatuur, beeldende kunst, film en theater) alsook vermenging van professionals en amateurs, ofwel ‘hoge’ en ‘lage’ kunst, zowel internationaal als plaatselijk, uiteenlopend van Straatfestival-achtige optredens tot traditionele koorzang, eigentijdse videokunst en pop-, fanfare-, jazz- folk- of wereldmuziek.

Het is daarnaast bij uitstek de plaats waar het recht op vrije meningsuiting wordt bevorderd, een plek ook waar individu, particulier initiatief en gemeenschap elkaar ontmoeten, zonder dat daarbij aan allerlei instanties om toestemming moet worden gevraagd, en zonder dat de plek door overheid(sfunctionarissen) of belangengroepen kan worden geclaimd. In principe kan iedere burger er als ‘cultureel ondernemer” terecht. Zonder daar eerst diep voor in de buidel te moeten tasten.”

Wat kwam ondertussen van dit alles terecht? Op de plek die ik voor de culturele vrijplaats in gedachten had, opent men binnenkort – omhuld door roestbruin staal – een reusachtige opbergplaats voor de oudsten onder ons. En er zijn vergevorderde plannen daarnaast – in staal en glas – een aantal nog reusachtiger blokkendozen te stapelen, precies bij, en zelf op de plek waar ooit majestueuze zeekastelen van stapel liepen. Ook hier is het doel daarin senioren te huisvesten. Ouderen zoals ik. Symbool van al wat kwam en wat geweest is? Kan zijn. Maar wat ik mis is de poëzie.

Onbekend's avatar

Published by: TijDingen

Onafhankelijk publicist en organisator. Werkte 45 jaar als journalist, o.a bij: Dagblad de Stem Breda Gemeenschappelijke Pers Dienst Den Haag Provinciale Zeeuwse Courant Geassocieerde Pers Diensten Den Haag Tijdschrift voor de Maatschappelijke Sector VeeJeeVee, magazine van het Vormingswerk Jonge Volwassenen Zeeuws Tijdschrift. Journalistieke functies: algemeen verslaggever, eindredacteur, opmaakredacteur, binnen- en buitenlandredacteur, schrijver van rubrieken en columns. Journalistieke aandachtsgebieden: o.a. politiek (landelijk, provinciaal, gemeentelijk); kunst en cultuur; verkeer en waterstaat; ruimtelijke ordening; economie; georganiseerde criminaliteit; welzijnsbeleid; human site; onderwijs. Werkte daarnaast als cultureel ondernemer o.a. als: eigenaar WéreldMuziekwinkel DeBARD Vlissingen organisator concerten en beeldende kunst projecten mede-eigenaar Bar-O-Nes Mysteryshop Vlissingen mede-eigenaar Galerie Dumais Vlissingen mede-eigenaar Tijdelijke Museum Niet Gevestigde Hedendaagse Beeldende Kunst Goes initiator Provady?/Paclax Raamsdonsveer/Geertruidenberg initiator (Pop)Podium De Piek Vlissingen Was o.a. bestuurslid Stichting Nieuwe Muziek Zeeland, Stichting Podium De Piek Vlissingen en Vormingswerk Jonge Volwassenen Hulst. Lid Adviescommissie Beeldende Kunst gemeente Vlissingen. Initiator van uiteenlopende samenwerkingsprojecten met culturele instellingen, muzikanten en beeldend kunstenaars. Daarnaast enige ervaringsdeskundigheid op terreinen als bestuursrecht, strafrecht, geestelijke gezondheidszorg, politieke besluitvorming, maatschappelijke ondersteuning (WMO) en Participatiewet.

Categorieën Cultuur, Kunst, VlissingenTags, , , , , , , , 1 reactie

Een gedachte over “Vlissingen, wat blijft is de poëzie en de wind die ’t altijd weer schoon waait…”

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.